Steun ons en help Nederland vooruit

zaterdag 2 mei 2020

Weekbericht: Wat te leren van de bijstandsexperimenten?

Stromen mensen met een bijstandsuitkering eerder uit naar betaald werk als ze meer ruimte krijgen, mogen bijverdienen en beter worden begeleid? Dat was de centrale vraag bij de experimenten die in de afgelopen twee jaar in zes gemeenten werden uitgevoerd. Vandaag presenteerden vijf gemeenten de uitkomsten. Na het lezen van de eerste rapportages is mijn voorzichtige conclusie: bijverdienen kan een belangrijke opstap zijn en persoonlijke begeleiding loont.

De opzet van de experimenten

In Utrecht, Groningen en Wageningen waren vier onderzoeksgroepen. In Nijmegen en Deventer drie. Bij de experimenten kreeg een eerste groep een ontheffing van de verplichting om werk te zoeken, een tweede groep kreeg meer begeleiding en een derde groep mocht bijverdiensten uit werk houden. De resultaten werden gerelateerd aan de uitstroom naar betaald werk enerzijds en aspecten als gezondheid, welbevinden, zelfredzaamheid en vertrouwen anderzijds.

Tegenvallende resultaten

Hoewel er verschillen zijn in de uitkomsten, valt het totaalbeeld wat tegen. De veelbelovende voorspellingen werden vandaag vooral afgezwakt. Gezegd moet dat mensen in de experimentele groepen over het algemeen tevredener waren over de dienstverlening dan mensen over de reguliere dienstverlening. Aan de andere kant is vrijwel niet aangetoond dat een in het experiment gebruikte systematiek direct heeft geleid tot meer uitstroom naar betaald werk.

Bijverdienen als opstap naar meer werk

Zowel Groningen, Utrecht als Wageningen laten zien dat bijverdienen naast een bijstandsuitkering mogelijk een opstap kan zijn naar uitstroom uit de bijstand. De resultaten zijn niet eensluidend, maar het lijkt een stap vooruit wanneer gemeenten meer vrijheid krijgen om bijverdienen naast de bijstandsuitkering mogelijk te maken. Voor veel mensen is de dreiging van korting op de uitkering nu een belemmering om parttime betaald werk te aanvaarden. De resultaten laten zien dat het een flink aantal mensen gelukt is om tijdelijk bij te verdienen naast de uitkering en vervolgens volledig uit te stromen naar betaald werk. Ongetwijfeld geldt niet voor iedereen dat dit werkt, maar in de combinatie met een intensieve, persoonlijke begeleiding zou hieraan invulling gegeven kunnen worden.

Niet alleen uitstroom naar werk telt

Over de Participatiewet wordt veelal gezegd dat deze teveel gericht zou zijn op verplichtingen en sancties. De experimenten kregen daarom in verschillende gemeenten al snel de naam ‘vertrouwensexperiment’. In die experimenten ging het niet zozeer om de uitstroom naar betaald werk, maar om andere effecten. In Tilburg bleek eerder bijvoorbeeld al dat het experiment daar effecten kende op gezondheid en geluk. Een vergelijkbaar resultaat is ook vandaag te zien in de uitkomsten van de andere gemeenten. Gezondheid, vertrouwen en zelfredzaamheid zijn aspecten die (weliswaar veelal niet significant t.o.v. de controlegroep) ervaren worden. Persoonlijke begeleiding loont, zou de stelling kunnen zijn.

Persoonlijke begeleiding loont

Destijds is door de gemeenteraad van Doetinchem de afweging gemaakt om al dan niet deel te nemen aan het landelijke experiment. Daarvoor is een vragenlijst afgenomen onder bijstandsgerechtigden en zijn door gemeenteraadsleden gesprekken bijstandsgerechtigden gevoerd. Uit de vragenlijst en de gesprekken bleek dat het niet zozeer de regels waren die beknellend werkten, als wel de wijze waarop deze werden uitgevoerd. In dit kader is in de gemeente toen de keuze gemaakt geen experiment te starten, maar een plan van aanpak ‘regelarme bijstand’ op te stellen en volgens dat plan te gaan werken. Het heeft geleid tot aanpassingen, maar begin 2019 werd pijnlijk duidelijk dat bijstandsgerechtigden zich niet goed bejegend voelden. De veranderingen die sinds dat moment zijn doorgevoerd, maken dat dit inmiddels sterk verbeterd is. Belangrijk daarbij is de huidige aanpak, waarbij met elke bijstandsgerechtigde een bij de persoon passend traject afgesproken wordt. Het is een intensieve en kostbare werkwijze. Om dit ook in de komende tijd waar te blijven maken, met een stijgend aantal bijstandsgerechtigden, zullen we een groot beroep moeten doen op onze professionals.

Wat leren we van de experimenten?

Hoewel de experimenten geen schokkende resultaten hebben opgeleverd, kunnen we er wel twee conclusies uit trekken. Het zou goed zijn om meer ervaring op te doen met bijverdienen als opstap naar een betaalde baan en het lijkt belangrijk om de persoonlijke begeleiding op maat te versterken. De aanpak is echter sterk afhankelijk van de bijstandsgerechtigde en de arbeidsmarktsituatie in de gemeente. Daarom zou het goed zijn als gemeenten hun aanpak optimaal kunnen toesnijden op de specifieke situatie. Daar is vanuit het Rijk beleidsruimte voor nodig, maar ook financiële ruimte.

 

Overzicht van de resultaten

Wageningen meldt dat de uitstroom naar werk in twee interventiegroepen (geen verplichting en extra begeleiding) groter is dan in de referentiegroep. In de bijverdiengroep was het effect op de uitstroom minder groot, maar gingen deelnemers wel vaker in deeltijd werken. Ook op andere aspecten zoals ervaren gezondheid, welbevinden, en sociaal vertrouwen worden positieve effecten gerapporteerd. De effecten zijn niet altijd statistisch significant.

In Utrecht worden in de interventiegroepen resultaten gezien die duiden op meer arbeidsparticipatie, met name in de laatst maanden van het onderzoek. De effecten zijn vrijwel niet significant. Er is wel een effect van een financiële prikkel (bijverdienen) te zien, deze beperkt zich tot banen met een lager aantal uren. Voor met name bijstandsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt geldt dat zij baat hebben bij extra hulp en begeleiding.

In Groningen worden vergelijkbare positieve resultaten gevonden, maar hiervan wordt, net als in Utrecht, de grens van wetenschappelijke significantie niet gehaald. Groningen laat zien dat bijverdienen leidt tot een verhoogde arbeidsparticipatie, voornamelijk bij banen met een hoger salaris en een grotere omvang. Het experiment heeft voor Groningers geleid tot toegenomen vertrouwen en zelfredzaamheid en in sommige gevallen ook een verbeterde ervaren gezondheid.

De onderzoekers in Deventer stellen dat er een activerende werking uit lijkt te gaan van intensieve begeleiding. Dat leidt overigens niet aantoonbaar tot meer uitstroom naar betaald werk. Opvallend is dat er ook geen verschillen worden gevonden tussen de onderzoeksgroepen als het gaat om geluk, gezondheid of vertrouwen.

In Nijmegen laat het onderzoek niet zien dat het experiment leidt tot meer uitstroom naar werk of deeltijdwerk. Wel zetten mensen in de experimentele groep zich meer in om werk te vinden. De tevredenheid over de experimentele dienstverlening is groter dan over de reguliere dienstverlening. Dit zou wijzen op het belang van aandacht voor en contact met mensen in de bijstand.